Basisonderwijs  
Rekenpilots
Prins Willem-Alexanderschool in Staphorst

Rekenen op de Willem Alexanderschool

Betere rekenprestaties met klassikale instructie

Een combinatie van realistisch rekenen en het ouderwetse automatiseren levert de beste rekenresultaten op, vindt het team op de Prins Willem-Alexanderschool in Staphorst.



 “Toen wij het realistisch rekenen invoerden, nu zo’n veertien jaar geleden, hebben we besloten een paar goede dingen van de oude werkwijze te behouden”, vertelt Jan Kuijers, directeur van de Prins Willem-Alexanderschool in Staphorst. “De methode die we invoerden gebruiken we grotendeels zoals bedoeld. Maar de methodemakers willen bijvoorbeeld de tafels uitsmeren over de groepen 4 en 5, en wij vinden dat de tafels eind groep 4 geautomatiseerd moeten zijn. Dat betekent niet dat we de kinderen alleen maar klassikaal rijtjes laten opdreunen, we leggen wel uit wat er gebeurt, we maken er ook een verhaaltje van met zes kinderen die ieder twee knikkers hebben.”

Dipje
De Prins Willem-Alexanderschool telt 285 leerlingen, waarvan veertig procent laag opgeleide ouders heeft. “De Inspectie van het Onderwijs publiceerde een paar maanden geleden een rapport waarin stond dat juist op scholen met veel gewichtenleerlingen het rekenen zo slecht zou zijn, vanwege de nadruk op realistisch rekenen. We hebben met het LVS van Cito gevolgd hoe de scores zich ontwikkelden en zagen inderdaad een dipje na de invoering van realistische rekenen. Maar inmiddels zijn de scores weer op peil, omdat we het automatiseren in ere hebben hersteld. Je kunt ook op een school met veel gewichtenleerlingen goede rekenresultaten halen.”

Klassikale instructie
Naast automatiseren spelen ook andere factoren een rol bij het goed leren rekenen, zegt Jan Kuijers. “Veel scholen laten kinderen zelfstandig werken met bijvoorbeeld weektaken en leerroutes. Zelfstandig leren werken vinden wij ook belangrijk, maar daarnaast geven we klassikale instructie. Alle leerlingen volgen die tegelijk. Dan krijg je een wisselwerking tussen de goede en de zwakke leerlingen en dat levert veel op. De goede leerling kan nadenken over de vraag waar de zwakkere leerling een probleem mee heeft, en de zwakke kan profiteren van het snelle inzicht van de goede. Iedereen is betrokken bij het proces.” Daarnaast krijgen zwakke rekenaars extra instructie en de goede leerlingen verrijkingsstof. “Als een leerling een rijtje sommen meteen goed oplost, heeft het geen zin hem het nog vijf of zes rijtjes te laten oplossen, dan kun je beter gaan verdiepen en verbreden.”

Doorgaande leerlijn
Een andere ‘succesfactor’ is de doorgaande leerlijn. Er is schoolbreed afgesproken wat een leerling moet leren, hoe het wordt aangeleerd en hoe het wordt beoordeeld. “We hebben duidelijke normen afgesproken. In het verleden pasten we soms de norm aan, als er een zwakke groep was. Dat doen we niet meer. We hebben hoge verwachtingen vastgelegd, bijvoorbeeld de gemiddelde score van een klas moet ‘B’ zijn. Als dat niet het geval is, kijken we op welke onderdelen leerlingen uitvallen, meten en geld bijvoorbeeld, of optellen en aftrekken. Daar zetten we dan extra op in. Als een leerling individueel te laag scoort, gaan we remediëren. Onze ib’er volgt het rekenonderwijs en de scores nauwgezet.”

Verschillende routes
De rekenmethode biedt verschillende strategieën aan om tot het goede antwoord te komen. Maar dat is voor het gemiddelde kind geen probleem, zegt Jan Kuijers. “De zwakke leerling, voor wie we een alternatieve route kiezen, bieden we maar één strategie aan. Anders wordt het te verwarrend. Maar alle andere kinderen laten we zien dat er verschillende routes naar een antwoord bestaan. De kinderen hebben daar baat bij, ze halen daardoor een hoog niveau.”

School aan Zet, januari 2009

 


© Projectbureau Kwaliteit | Disclaimer | Contact