De Morgenster in Sleeuwijk
Automatiseren én realistisch rekenen
Met acht helder omschreven acties pakt De Morgenster de tegenvallende rekenprestaties aan. Met als gevolg hoge scores bij de eindtoets in 2008. Of is dat toeval? ‘We juichen niet te vroeg.’
De Morgenster in Sleeuwijk telt 455 leerlingen, verdeeld over zeventien groepen. De school heeft weinig gewichtenleerlingen en valt voor de Cito-eindtoets in schoolscoregroep 1.
Lek ‘De aanleiding om het rekenonderwijs onder de loep te nemen was dat het team ontevreden was over de scores van groep 8 op de eindtoets. We willen op het gemiddelde van schoolscoregroep 1zitten, liefst erboven, maar dat kwam al jaren niet meer voor’, vertelt Wim Marinissen, directeur van De Morgenster. ‘Een analyse van scores van de toetsen liet zien dat na 1995 de resultaten naar beneden gingen. Dat kwam doordat het cito aansloot bij het realistisch rekenen, terwijl wij op een traditionele manier lesgaven. Doordat wij inmiddels ook waren overgestapt op realistisch rekenen stegen de scores weer, maar vervolgens zakten ze weer terug.’ Het team verklaarde dit doordat er een nieuwe taalmethode was ingevoerd en er veel aandacht ging naar taal en lezen. Ook was men toe aan een nieuwe rekenmethode. Pluspunt 2 werd ingevoerd. Even leek het resultaat te verbeteren, maar in 2006-2007 daalden de scores weer. ‘We hadden het lek duidelijk niet boven water.’
Spraakverwarring Samen met het team bracht Wim de situatie in kaart. Wim somt op: ‘De leerlingen hebben geen taalachterstanden. Met de kwaliteit van de leerkrachten is niets mis. Andere scholen halen met Pluspunt 2 wel goede resultaten. En: we zijn ontevreden over de resultaten.’ En welke factoren spelen daarbij mogelijk een rol? Wim: ‘Er heerste spraakverwarring. Leerkrachten gebruikten een verschillende terminologie. Dus een minder goede rekenaar dacht al gauw dat er een nieuw sommetje aan de orde was, als een leerkracht in een andere groep het had over ‘min’ in plaats van ‘eraf’. Ten tweede profiteerden de zwakke leerlingen duidelijk niet genoeg van de instructie. Ten derde waren er te weinig echt goede rekenaars in de groep. Goede rekenaars krikken je niveau op. Ten vierde was er te weinig aandacht voor automatiseren.’
Leerstoflijn Deze aandachtspunten zijn vertaald in acht actiepunten. ‘Punt 1: alle leerkrachten spreken dezelfde taal bij de instructie. Pluspunt 2 is daarbij leidend. Er zit een leerlijnenboekje bij met de rode draad. Daar kijken we wel kritisch naar, we moeten ons wel kunnen vinden in die leerlijn. We hebben het ook hier en daar aangepast. We zorgen er ook voor dat de aansluiting klopt, dat groep 3 enerzijds voortbouwt op groep 2 en anderzijds voorbereid op groep 4. Daarom hebben leraren uit de verschillende groepen samen naar de leerstoflijn gekeken.’
Prioriteit ‘Punt 2: Rekenen krijgt prioriteit. Dat is bij het taalleesverbetertraject ook een belangrijke succesfactor geweest. Dit is een vergelijkbaar traject. Die prioriteit komt onder meer tot uiting in de roostering. ’s Morgens gaan we eerst lezen, dan godsdienst, en daarna, van kwart over negen tot kwart over tien, wordt er door alle groepen 4 tot en met 8 gerekend. Groep 3 gaat daar na de kerstvakantie aan meedoen. Groep 1 en 2 hebben andere werkmomenten en andere tijden, daar zijn ook geen grote knelpunten.’
Mix ‘Punt 3: Balans tussen realistisch rekenen en automatiseren of herhalen. De methode biedt dat laatste niet voldoende aan, dus dat moeten we extra aanbieden. De kracht zit in de mix. We beginnen iedere rekenles met automatiseren. We halen de stof van internet of uit oude methodes. Ook gebruiken we geschikte softwarepakketten.’
Instructiemodel ‘Punt 4: Hetzelfde instructiemodel. De rekenles heeft in iedere groep dezelfde vorm. De leerkracht legt uit, ongeveer tien minuten, de klas gaat aan het werk, zwakke leerlingen krijgen verlengde instructie en gaan ook aan het werk. De leerkracht loopt hulprondes. Kinderen kunnen met een rode of een groene kaart aangeven of ze hulp nodig hebben.’
Voorbereiden ‘Punt 5: Les goed voorbereiden. Dat is niet zo vanzelfsprekend als het klinkt. Ervaren leerkrachten weten vaak uit hun hoofd wel wat ze moeten vertellen bij een bepaalde les. Maar nu leggen we een relatie met de leerlijn. De leerkracht moet ervoor zorgen dat de les aansluit bij het voorafgaande en het doel goed voor ogen houden.’
Nakijken ‘Punt 6: Consequent nakijken. Leerlingen kijken ook veel zelf na, en het is anders ook niet te doen voor de leerkracht. Maar bij essentiële onderdelen moet je zelf nakijken en analyseren waar het fout gaat. Waar ligt het aan? Heeft dit kind verlengde instructie nodig? Ook hierbij zoeken we een mix: nakijken door leerlingen en zelf nakijken.
Strategieën ‘Punt 7: De aanpak van zwakke rekenaars. Het komt niet vanzelf goed. Zwakke rekenaars kunnen soms niet uit de voeten met vijf verschillende oplossingsstrategieën. Dan moet je er één aanbieden, en dat wordt dan ook in een schriftje geschreven dat een zwakke leerling meeneemt gedurende de schoolloopbaan.’
Compacten ‘Punt 8: ook betere rekenaars hebben recht op aandacht. Ook zij hebben feedback nodig en uitdagingen. Met deze methode kun je ’compacten’, zodat ze sneller door de stof gaan.’
Toevalstreffer? ‘Als doelstelling hadden we dat we in 2008 bovengemiddeld wilden scoren. Dat is gelukt, maar we weten niet of het een toevalstreffer is, dus juichen we niet te vroeg. We volgen de leerlingen natuurlijk met een LVS, maar in tegenstelling tot bij lezen is de LVS bij rekenen minder betrouwbaar. Het is nu afwachten hoe we scoren in 2009.’
Grip Het is lastiger om grip te krijgen op rekenen dan op lezen, merkt Wim. ‘Technisch lezen leren kan iedereen. Voor rekenen heb je toch meer inzicht nodig, en dus een zekere intelligentie. Natuurlijk doen we ons best het onderwijs zo in te richten, dat zoveel mogelijk leerlingen goede resultaten halen. Maar er is een categorie die er niet in slaagt om meer dan één rekenstrategie aan te leren bijvoorbeeld.’
Projectbureau Kwaliteit, december 2008
|